
Column: Moeders kadootje
ColumnWe zijn inmiddels alweer ruim vijftig jaar gericht bezig met landschapsbeheer in ons Schijndelse buitengebied. Dus kun je het NMC als lokale natuurwerkgroep gerust zien als ervaringsdeskundige. Diezelfde NMC’ers legden eind jaren tachtig een heempark aan, waarmee een breed publiek bekend gemaakt kon worden met de bijzondere waarde van ons landschap. Aan de ene kant vooral een educatief doel, maar ook om te leren welke beheersmaatregelen het beste uitpakken voor de bedreigde landschapselementen, een soort proeftuin. En dat laatste is de leuke, spannende kant van natuurbeheer. Als heemparkwerkgroep stel je je eigen beheersplan op, en dan is het wachten op de reactie van moeder natuur… En als je geluk hebt krijg je af en toe een kadootje.
Franjestaarten
De laatste vleermuizentelling in het heempark leverde zo’n mooi kadootje op: voor het eerst in het bestaan van onze vleermuizenkelder (inmiddels veertien jaar oud) heeft een familie Franjestaarten (acht stuks) hun intrek genomen. Een zeldzame vleermuizensoort, genoemd naar de borstelharen (franjes) op de staart. Ze stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving: hun jachtgebied dient kleinschalig te zijn. Houtwallen, kleine hooilandjes, boomlanen, waarbij ze tussen de hoge kruinen op insecten kunnen jagen. Maar door hun groot vleugeloppervlak (spanwijdte tot 28 cm) kunnen ze ook moeiteloos als een kolibri stilhangen voor een spinnenweb, en zo de prooi grijpen zonder in het web verstrikt te raken. Verder zijn het liefhebbers van sloten en poelen, want ze zijn dol op de waterinsecten die ze, scherend over de waterspiegel, kunnen vangen.
Luciferdoosje
Behalve de Franjestaarten logeren ook elke winter nog twee andere bijzondere soorten in de kelder: de Grootoor- en de Watervleermuis. Ook dit zijn behoorlijke grote vleermuizen die zich kunnen opvouwen tot de grootte van een luciferdoosje. Ze wurmen zich (vaak in gezelschap) in één van de gleuven van de betonnen blokken die tegen het plafond van de kelder zijn opgehangen. Daar blijven ze tot het voorjaar hangen (in winterslaap), om daarna een warm beschut plekje te zoeken dat als kraamkamer kan dienen. Meestal een holle boom of nestkast, waar hun (enige) jong ter wereld komt. In de directe omgeving gaan ze op jacht naar insecten. Dat ze daarbij mensen niet schuwen, bleek tijdens één van onze avondexcursies: terwijl in de blokhut een groep geïnteresseerden luisterde naar het verhaal van de gids, vloog een Grootoor naar binnen, en maakte een rondje door de tent: met rustige vleugelslag rond de lamp, en daarna via de openstaande deur weer naar buiten, een verbaasd publiek achterlatend.
Is het wel de moeite waard?
Ik zie wel eens sommigen hun neus optrekken, met een blik van: moet je daar nou zoveel tijd, geld en energie instoppen, voor die paar vleermuisjes? Nou, zie het maar als één van de kadootjes die je krijgt als je goed voor je leefomgeving zorgt. En als die vleermuizen niet meer komen, dan moeten we ons ècht zorgen gaan maken; dan zijn wij de volgende soort die aan de beurt is.
Anton Hellings.









